Donderdag 26 juli 2018

Als een dief in de nacht breek ik de tent op om half 6 (ik sta vlakbij een caravan omdat er daar een stroompunt is dat ik rechtstreeks kan gebruiken voor mijn mobieltje). Om 7 uur rij ik weg, en wil via de buitenwijken van Locarno de bergen in gaan ten oosten van het Lago Maggiore. Hier heb ik zelf het kiezelspoor gemaakt (en niet Benjaminse), en ik mag er dus ook lekker van afwijken als ik wil. Terwijl ik dichterbij Locarno kom, pieker ik over het rare van dat ik weer 600 meter zou moeten stijgen, de heuvels is, terwijl het zo mooi is aan de Lago Maggiore. Het alternatief t.a.v. een omweg in de bergen is ofwel de oostelijke ofwel de westelijke route langs het meer. Ik weet dat de westelijke route met veel krappe bochten gepaard gaat en dat er voor fietsers nauwelijks ruimte is langs het voortrazende vrachtverkeer. Onbekend is de oostelijke kant, maar ik ga ervoor. In uiterste nood kan ik altijd de bergen nog invluchten. Het blijkt dat de eerste kilometers prima gaan, en opnieuw is mijn spiegel mijn beste vriendje: telkens als er een zware vracht aankomt van achteren, spring ik op de stoep (waarom riskeren van een platwals) of op het trottoir. Op een gegeven moment gaat de weg voor de Zwitsers-Italiaanse grens over op snelweg, en ik besluit om het uitgestelde ontbijt te vieren in Italie (want goeikoper). Dat duurt nog wel even een 20 km, en na de grensovergang is er nog geen fatsoenlijk dorpje (en spelling) te bekennen.

Pas halvewege het meer, in Luingolago, duik ik een donker klein supermarktje in (wat eigenlijk een bakkertje is). Het gebruikelijke recept: kaasplakken, bruine bolletjes, hamplakjes en tomaten, zorgt ervoor dat ik er weer eventjes tegenaan kan. Ondertussen heb ik contact met Mike en Ingrid, en op mijn vraag of ik bij Ispra de boot moet pakken, de volgende ochtend, antwoordt Ingrid dat ik beter bij Laveno-Mombello de auto-veerdienst kan pakken. Ik draai na een uur de haven in en juist dan staat er een veerdienst voor me klaar naar Verbania.

In Verbania is het water op, maar om een of andere manier toch lastig om dat aan te vullen in een drukke stad waar alle pompen en supermarkten een siesta houden. Ik stijg weer de heuvels in, en koop twee zoete meloenen bij een oud mannetje aan de kant van de weg. Ik heb nog nooit een meloen zo snel leegeggeten (leeggezogen). Vervolgens bedenk ik me dat collega/afdelingleider Marnix Hoogteijling wel erg dichtbij is: hij campeert op Lido Toce, in een soort inham tussen het noordelijke en zuidelijke gedeelte. Ik heb een uurtje bij hem en zijn gezin een koud biertje gepakt (de enige die nog over was, dankjewel Sander!), en even naar het meer gekeken. Topplek, en aanrader voor een volgende keer.

Ik vervolg mijn weg naar Stresa, en daarna volgt nog een soort eindbeklimming waar ik wel even 250 meter zal moeten stijgen, na 90 km op de pedalen. Dit blijkt echt niet mee te vallen, omdat de binnenwegen veel steiler zijn dan bv. de San Bernardino pas, en de auto’s af en aan jakkeren. Hier moet ik echt een flink aantal keren stoppen en goed letten op mijn hartslag en Italiaanse spoilers. Uiteindelijk kom ik tegen een uur of 7 ’s avonds aan op Villa Magnolia Maggiore, een voormalig Motorlodge, en nu een B&B plus in wording.

Het blijft een vreemde gewaarwording, omdat ik een half jaar geleden hier ook was, en dat duurde met de camper natuurlijk ook wel even om dat te bereiken. De tweede dag erna heb ik met Mike een tocht in de heuvels gemaakt, zonder bepakking: ik op de Santos, hij op een siksplinternieuwe MTB. We waren beide dik tevreden met onze condities en fietsen: Ik was op de asfaltstukken goed in vorm, en hij vooral op de berghellingen met veel reliƫf die we lopend in het onweer hebben gekraakt.

1 dag terug